Scheiding van kerk en staat

(Lees eerst deel 1 van "Scheiding van kerk en staat")

Scheiding tussen kerk en staat - De Nederlandse historie
Vóór 1795 was er in Nederland sprake van een ‘bevoorrechte kerk’, namelijk de Gereformeerde Kerk (later werd deze de Hervormde Kerk genoemd). De kerk werd uit publieke middelen bekostigd en de instandhouding van de kerk werd door de overheid gezien als een openbaar belang. In 1795 leidde de Bataafse omwenteling in Nederland tot een zekere scheiding van kerk en staat, maar deze scheiding was alles behalve volledig. In 1814 werd het volgende artikel (133) in de Grondwet opgenomen:

“De christelijke hervormde Godsdienst is die van den Souvereinen Vorst.”

De koning had volgens artikel 139 van deze zelfde grondwet ook het recht om toezicht uit te oefenen op de kerk:

“Onverminderd het regt en de gehoudenis van den Souvereinen Vorst, om zoodanig toezigt over alle de godsdienstige gezindheden uit te oefenen, als voor de belangen van den Staat dienstig zal bevonden worden, heeft Dezelve bovendien in het bijzonder het regt van inzage en beschikking omtrent de inrigtingen van die gezindheden, welke, volgens een der voorgaande artikelen, eenige betaling of toelage uit ’s Lands kas genieten.”

In de tweede helft van de 19e eeuw begon de overheid zich geleidelijk terug te trekken van de Hervormde Kerk, wat in die periode onder meer leidde tot een gelijkere behandeling voor de Katholieke en de Hervormde kerken in Nederland. In 1851 werd in het Algemeen Reglement door de synode van de Nederlandse Hervormde Kerk vastgesteld dat de kerk een volledige bewegingsvrijheid ten opzichte van de overheid kreeg. Artikel 1 van de zogenaamde Wet op de kerkgenootschappen van 1853 stelde:

“Aan alle kerkgenootschappen is en blijft de volkomen vrijheid verzekerd alles wat hunnen godsdienst en de uitoefening daarvan in hunnen eigen boezem betreft, te regelen.
De bepalingen betreffende de inrigting en het bestuur worden, voor zooveel zij niet reeds aan Ons bekend zijn gemaakt, binnen eene maand na de afkondiging dezer wet, door de bestuurders of hoofden der kerkgenootschappen aan Ons medegedeeld. Nieuw te maken bepalingen worden mede vóór of bij het in werking brengen daarvan, op gelijke wijze ter Onzer kennis gebragt.
Voor zooveel er zich onder de bepalingen, bij dit artikel bedoeld, eenige bevindt, welke de medewerking van het staatsgezag vereischt, wordt die medewerking niet verleend, tenzij de bepaling door Ons is goedgekeurd.”

Scheiding tussen kerk en staat - De tegenwoordige situatie
Pas in 1981 kwam er na overleg tussen de staat en de verschillende kerken een einde aan de directe subsidieverlening door de staat aan de kerk. De artikelen onder het kopje ‘Van de Godsdienst’ werden twee jaar later vervangen door artikel 6 van de Grondwet:

1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.


Onder invloed van de instroom van niet-christelijke godsdiensten naar Nederland in de tweede helft van de 20e eeuw kwam er een behoefte om de wetgeving aan te passen. Zo is de lokale overheid nu bijvoorbeeld bevoegd om zelf regels op te stellen over klokgelui, gebedsoproepen, ritueel slachten en lijkbezorgingen. Hoewel de staat zich door de jaren heen steeds verder heeft teruggetrokken van de kerk, houdt de staat zich niet helemaal afzijdig van de kerk en kent Nederland geen staatskerk of een bevoorrechte kerk meer. Maar er bestaan tegenwoordig wel nog diverse regelingen die de speciale positie van kerkgenootschappen in Nederland markeren. Van een absolute scheiding tussen kerk en staat is in Nederland dus geen sprake, maar het moet opgemerkt worden dat er nu in dit opzicht een groot verschil bestaat tussen vroeger en nu: in vroeger dagen bestond er een zekere verwevenheid en wisselwerking tussen de overheid en de Christelijke kerken; tegenwoordig schept de overheid randvoorwaarden voor alle mogelijke godsdiensten waardoor de Nederlandse Christelijke staat dus feitelijk is komen te vervallen.

Leer nu meer!

Informatie deels gebaseerd op: Kerken in geding. De burgerlijke rechter en de kerkelijke geschillen. door A.H. Santing-Wubs, zie Kerkrecht.NL


WAT DENK JIJ? - Wij hebben allemaal gezondigd en verdienen allemaal Gods oordeel. God, de Vader, stuurde Zijn eniggeboren Zoon om dat oordeel op Zich te nemen voor iedereen die in Hem gelooft. Jezus, de Schepper en eeuwige Zoon van God, die Zelf een zondeloos leven leidde, hield zo veel van ons dat Hij voor onze zonden stierf om zo de straf op Zich te nemen die wij verdienen. Volgens de Bijbel werd Hij begraven en stond Hij op uit de dood. Als jij dit werkelijk gelooft, er in je hart op vertrouwt en alleen Jezus als je Redder aanvaardt door te zeggen: "Jezus is Heer", dan zul je van het oordeel gered worden en de eeuwigheid met God in de hemel doorbrengen.

Wat is jouw antwoord?

Ja, vandaag heb ik besloten om Jezus te volgen

Ja, ik ben al een volgeling van Jezus

Ik heb nog steeds vragen